Enige achtergronden van De Enschedese School


Enschedese School-lid Kees Maas zei het in Vrij Nederland van 2 maart 1985 zo: '... het (is) niet goed De Enschedese School af te schilderen als een stel mensen, die tegen iets stelling nemen. Als dat wél gebeurt, is dat vaak een onbedoeld gevolg van de dingen die we doen. Wij zijn geen revolutionairen. We voelen ons misschien wel verwant met revolutionairen als Dada, Fluxus of de Nul-beweging, maar we zijn het zelf niet. Dadasten waren negatief op een zeer goede manier. Bij ons is dat zeker niet het geval. Ik beschouw mezelf ook niet als een vernieuwer. We hebben wel een vorm die nieuw is. Volhouden garandeert kwaliteit. De aanhouder wint. God zal ons rijkelijk belonen. Ik zeg nooit: dit werk strekt tot aanbeveling.' Aanbeveling had het werk ook niet nodig. De School floreerde tien jaar geleden.

De AKI-studenten Maas, Wisselink, Visser en Oosterhof wisten beter wat ze niet dan wat ze wel wilden toen ze in 1976 vlak na hun afstuderen De Enschedese School oprichtten in een oude school aan de rand van Enschede. Ze hielden niet van praatjes, ze waren geen beweging, er was geen manifest. Ze werkten samen om uit te vinden hoe je een kunstwerk in oplage kunt verkopen, zonder dat het aan exclusiviteit inboet. 'Er moeten toch duizend idioten kunnen worden gevonden die het zo mooi vinden dat ze het kopen.' Dus doopten ze een platenlabel, hún platenlabel, Idiot Records en maakten ze eigenhandig van hun invallen een paar honderd exemplaren die ze op allerlei manieren verkochten. Soms in een supermarkt (kunstmanifestatie Enschede Verplaatst, 1980), maar meestal per post.

De Enschedese School verzorgde 'Moderne kunst per PTT', zoals ze dat deftig noemde. Vier maal per jaar kregen de abonnees van de stichting - op het hoogtepunt 250 leden - een kunstwerk toegestuurd. Dat kon alles zijn: een eerste dag enveloppe ter gelegenheid van de vierhonderdjarige viering van de Unie van Utrecht in 1979, met een postzegel van de toenmalige burgemeester Henk Vonhoff, een serie van zes zwart-wit ansichten, voorstellende Het Koninklijk Huis en De Kunst, een plastic zakje met een oor in brandewijn, getiteld Eau de vie, de 'classic' beeldroman De Doka van Hercules en een tabletop-diorama. De eerste uitgave van De Enschedese School ontstond in januari 1977: de zeefdruk De ondergang van het huis Escher, die de toenmalige abonnees tot negen keer konden terugsturen, waarna de prent van een dramatische toevoeging werd voorzien. De laatste toevoeging is veelzeggend: elke prent werd tot duizend kleine stukjes versneden en tot een abstract mozaïek in elkaar geplakt. Als al deze produkten die in de afgelopen jaren zijn ontstaan - ondertussen werd de school in Enschede verlaten en een pakhuis in Amsterdam betrokken - moeten worden samengevat, dan zijn ze in ieder geval onvoorspelbaar, soms hilarisch en relativerend, maar bijna altijd zinneprikkelend.

De Enschedese School heeft alles gemaakt, behalve school. Het aantal kunstwerken bedraagt inmiddels minstens vijftig stuks, de uitgaven van de aan de School verbonden platenmaatschappij Idiot Records niet meegerekend. Alles bij elkaar dus vele duizenden kunstwerken. Er is eigenlijk geen kunstvorm die niet is gekozen. Alles is gedaan, alles gemaakt, maar het staat niet in musea. De plaatselijke kunstuitleen heeft het niet. Het wordt niet geveild. En ook wordt er geen les in gegeven.

Waar is al dat materiaal van De Enschedese School gebleven? Het ligt of staat gewoon bij de mensen thuis. Het periodiek De Enschedese School waarvan tien nummers zijn verschenen, ligt bij de oude kranten of onder in de kast. De langspeelplaten van Fay Lovsky, Mathilde Santing en de Kewi University of Swing die door Idiot Records werden uitgebracht, zijn weliswaar bewaard gebleven, maar ze worden niet meer gedraaid. De mobile Oh, gevleugelde verfkwast hangt in de kinderkamer. Het kunstenaarsservies staat in de keukenkast. De boeken waaronder Im Herbst van Frans Oosterhof, Le Moment Suprême met tekenwerk van onder meer Hans Ebeling Koning, Pieter Holstein en Sipke Huismans en Fatale filatelie van Roland Sips, staan op de plank. De racewagen van Gerrit de Wilde staat in de vitrinekast.

Na verloop van tijd ging De Enschedese School uit. Maar als de school gesloten is, betekent dat - om de metaforen maar even vol te houden - niet dat de kinderen dood zijn. Ze doen gewoon wat anders, en eigenlijk toch hetzelfde, alleen nu niet meer als schoolklas, maar ieder voor zich. Ze zijn gewoon op de ingeslagen weg doorgegaan. Ze hebben ieder hun eigen winkeltje, onder eigen naam. Zouden al hun dingen en maaksels van nu bij elkaar worden gezet, dan zou je een Enschedese Hogeschool krijgen. Maar dat is weer te flauw voor woorden.

Maak je de balans op, dan is het resultaat dat werk van De Enschedese School overal in het land te vinden is, maar nergens in de kunstgeschiedenis. Toch maakten ze geen rotzooi. Ook niet alleen grappen. En zeker niets zonder eigen en herkenbaar handschrift. Zet werk van De Enschedese School tussen werk van anderen achter halfdoorlatend glas en er is geen ooggetuige, hoe onoplettend ook, die dat van die jongens uit Enschede er niet onmiddellijk uithaalt.

Het is nu twintig jaar geleden dat De Enschedese School werd opgericht. Een mooie aanleiding om alles wat dat kunstenaarsinitiatief ooit heeft geproduceerd, nog een keer bij elkaar te brengen. Een gepaste gelegenheid ook om in een boek op de ontstaansgeschiedenis van De Enschedese School terug te kijken. Dan maakt De Enschedese School misschien toch nog school. En terecht.

Geheel in de traditie van De Enschedese School zal het boek geen boek zijn, maar een dikke krant in een archiefdoos. De krant heeft een omvang van een huis-aan-huis-blad. Een bokking wordt toegevoegd, zodat de krant iets te verpakken heeft.

Het boek moet een catalogus zijn, misschien zelfs een encyclopedie. Het bevat een uitgebreide documentatie: lijsten van kunstenaars die hebben meegedaan, abonnées die kunst per post kochten, kunstwerken die werden gemaakt. Aan de gangmakers van De Enschedese School - Maas, Wisselink, Visser en Oosterhof - moeten veel woorden worden vuil gemaakt, hoewel niet door henzelf, maar toch ook weer wel. Een kunsthistoricus van naam, Tineke Reijnders, schrijft een essay over De Enschedese School: over de tijdgeest, stad en platteland, mainstream en commentaar, mode en verzet daartegen. Voor eens en voor altijd.

Er moeten natuurlijk ook grapjes worden gemaakt. Een zoektocht naar de boeken in de Koninklijke Bibliotheek. Een feuilleton van Atte Jongstra. De Grote Roerganger van De Enschedese School krijgt minstens zes pagina's oeverloze monoloog. En wat te denken van de John van Loen, de Linda McCartney en al die andere randfiguren van De Enschedese School?

In het spoor van de geschiedenis van De Enschedese School zal de tentoonstelling van en over het spraakmakende kunstinitiatief in Amsterdam en Enschede te zien zijn. Om daarna voorgoed te verdwijnen.

Dan is het wel mooi geweest.

Fred Dijs
John Heymans


<<<

Beeld * Tekst * Uitleg * Leven * Thuis

© fred dijs, In beeld, tekst en uitleg, 1996